Middagje Deventer
Mijn opa had een vriend en die kon uren over Deventer praten. Althans, over zijn eigen rol in die beroemde speelfilm die er in 1976 werd opgenomen; Een Brug Te Ver. Goed, hij had verkleed als Duitse soldaat mooi dood mogen liggen op een trap en de bewuste scène was uiteindelijk nergens meer in de film terug te vinden maar toch; hij wist mij als kleine jongen het gevoel te geven dat Sean Connery in hoogst eigen persoon bij ons op visite was.

Deventer. Later stond ik er als jongetje onder het imposante beeld van Albert Schweitzer, geïntrigeerd door die zin eronder ‘Eerbied voor het leven’. Lange tijd wist ik het zeker; ik wilde dokter voor ontwikkelingshulp worden. Het is helaas een nuttelozer beroep geworden, dat meer van doen heeft met Theater Bouwkunde en de Deventer Schouwburg dan met een hulppost in Gabon.
Nog steeds kom ik er graag. Om een beetje te struinen door de historische straatjes met de vele bijzondere winkeltjes, om met het pontje naar het IJsselhotel te varen met haar heerlijke terras dat riant uitzicht biedt op de oude binnenstad, of om plaats te nemen op een van de gemoedelijke terrassen waar je al snel veel te lang blijft hangen.
Gisteren heb ik Deventer maar eens bij mijn vierjarige zoon geïntroduceerd. De dagen er voor had hij iedereen al uitgebreid verteld dat hij met zijn vader naar Duitsland af zou reizen, maar hij bedoelde natuurlijk Deventer. Is ook lastig, op die leeftijd. Deventer is weliswaar richting Duitsland gelegen, maar een stuk dichterbij dan menigeen denkt. Toch, wie voor een echt vakantiegevoel gaat neemt de internationale trein naar Berlijn. Die brengt je in 37 minuten van station Amersfoort naar het hartje van de Hanzestad.
We namen ons voor om er de speurtocht door oud-Deventer te gaan doen, voor twee euro vijftig te verkrijgen bij het VVV onder de Waag op de Brink. De tocht is een met, vooral wat oudere, kinderen goed beloopbare rondgang langs monumenten en steegjes in en rond het mooie Bergkwartier en de Brink en biedt behalve veel kijkgenot veel weetjes waar ook volwassenen iets van opsteken.
Spelen op de Brink
Maar een ‘Hanze speurneus’ is mijn zoontje gisteren niet geworden. We halen de route nog enthousiast bij de VVV, maar om eerlijk te zijn komen we er niet aan toe. Dat is de schuld van Deventer zelf. Allereerst vindt onze enthousiaste kleuter de treinreis al een avontuur op zich. Voor het station treffen we bij wijze van gratis attractie een eigenwijs overstekende zwanenfamilie aan en eenmaal aangekomen op de Brink, met korte beentjes een kwartiertje lopen, met lange beentjes vijf minuten, wacht ons een andere gratis verrassing dat ‘Spelen op de Brink’ heet. Iedere woensdag en zondag tussen twee en vier kan er binnen een afgezet gebied naar hartenlust gespeeld worden met Oudhollands speelgoed en een grote variëteit aan trapkarren. Vrijwilligers geven er tekst en uitleg en luie ouders kunnen vanaf het terras een ontspannen oogje in het zeil houden. Voor mijn zoon is de reis naar Deventer dan al geslaagd genoeg.
Toch nog even een kijkje genomen in het Speelgoedmuseum, zo’n vijftig meter achter de VVV gelegen. Het is een vriendelijk, kleinschalig museum waar het mijn zoontje al gauw erg spijt dat het mooiste speelgoed er achter glas ligt. Gelukkig mag er op de speelzolder wel gespeeld worden en kan hij in de indianentent beneden met poppetjes aan de slag. De interactieve treinmodellenshow vindt hij eng en hij vlucht na drie kwartier dan ook met gezwinde spoed het pand uit. Maar de dag bij thuiskomst evaluerend vindt hij het speelgoedmuseum toch het hoogtepunt. De euro entree, ingehouden op zijn zakgeld, vindt hij eigenlijk geen geld voor het uitje.
Na het museum nog even langs de huiveringwekkende pot waar Deventenaren vroeger fraudeurs in kookten (en volgens sommigen ook opaten, wat me gezien het vriendelijke karakter van de lokale bevolking nu, wel wat onwaarschijnlijk lijkt) en dan toch maar weer Spelen op de Brink.
Een draaiorgel, een appelsap en een tosti maken het middagje Deventer voor onze vierjarige compleet. Zo eenvoudig en heerlijk kan het leven zijn.
Tekst en foto’s: Jeffrey Meulman








